Kenmerken van genrekunst
Dat er lang geen goed woord voor was, laat al meteen zien dat genrekunst als begrip moeilijk af te bakenen is. Er zijn een aantal kenmerken die in het oog springen, maar dat zijn dus kenmerken die we er nu, achteraf, mee zijn gaan associëren. De kunstenaars zelf hadden geen programma, geen vaste regels voor genrekunst. Integendeel: ze genoten juist een grote artistieke vrijheid en juist daardoor kon genrekunst ontstaan.
Zoals we hierboven al vermeldden is veel genrekunst opmerkelijk knap geschilderd, de Leidse school van „fijnschilders” is nauw met deze vorm van kunst verbonden. Ook het opvallende – en dure – kleurgebruik van Johannes Vermeer past bij deze voorkeur voor technisch meesterschap. Veel fijnschilders waren specialisten, die zich op een bepaald thema toelegden en daarin excelleerden. Godfried Schalcken was bijvoorbeeld een meester in het vastleggen van kaarslicht. Anderen maakten veel werk van textiel, mooie stoffen zijn vaak in detail afgebeeld.
Genrestukken kostten veel tijd, kunstenaars deden soms maanden over één doek. Ook de toeschouwer besteedde er graag veel tijd aan. Het schilderij vertelde ze een verhaal, ze keken er langdurig naar en ontdekten er dan nieuwe details in, nieuwe lagen. Een schilder als Gerard ter Borch maakte er echt een spel van om zijn schilderijen multi-interpretabel te maken. Genrestukken staan bol van de symboliek. Wie de taal van de symbolen spreekt, kan het schilderij van begin tot eind „lezen”. Dat is wat Bas Zevenbergen doet in the fun part of art.
De genreschilders waren in zekere zin de cabaretiers van de Gouden Eeuw. Ze hielden hun tijdgenoten een spiegel voor. Ook hun opdrachtgevers ontzagen ze niet. Jan Steen portretteerde een burgemeester met twee bedelaars aan diens linkerhand – toch niet precies het portret wat de man voor ogen zal hebben gehad. Pieter van Roestraeten dreef de spot met de rijkdom van zijn tijd – en zo dus ook met die van zijn opdrachtgevers én met die van hemzelf. Die ironie maakt de genrestukken ook voor de moderne toeschouwer nog geestig.
Tot slot: genrestukken hingen thuis. Niet in kerken, niet in openbare gebouwen, maar bij de kopers thuis. Dat betekent dus ook dat lang niet iedereen ze te zien kreeg. Ze waren bedoeld voor een beperkt publiek van liefhebbers. Een tikje pikant mochten ze best zijn, dat maakte niet uit. Je had immers zelf in de hand wie het schilderij te zien kreeg.
Genrekunst & the fun part of art
In het virtuele museum van the fun part of art hangt onze allerbeste genrekunst en jij mag er naar kijken. Bas Zevenbergen, liefhebber en toeschouwer, vertelt je wat hij ziet en wat de kunstenaar volgens hem bedoeld kan hebben. Maar jij hebt zelf natuurlijk alle vrijheid om er nog wat anders bij te denken. Dat maakt genrekunst zo leuk en zo modern: je kunt veel kanten op, het is een vorm van kunst die zich niet in één hokje laat vangen. Deze kunst is zo veelzijdig als de humor van de Gouden Eeuw – en die was zeker veelzijdig.
The fun part of art laat je lachen om de Nederlands van toen en om de Nederlands van nu. The fun part of art laat je lachen om jezelf. Want wat is er nou eigenlijk veranderd? Juist omdat we ons zo goed herkennen in die mensen van vroeger, komt in de genrekunst de geschiedenis tot leven. Na een bezoek aan dit virtuele museum loop je toch anders langs die oude trapgeveltjes in onze steden. Nu weet je hoe het er daar aan toe ging, ooit…
Zie ook
De catalogus "Tot lering en vermaak" van het Rijksmuseum biedt veel achtergronden. Als je na je bezoek aan ons virtuele museum meer wilt lezen over genrekunst kun je voor dit boek terecht in de DBNL: Tot lering en vermaak.